- Introductie tot BiSL
-
Gebruiksbeheer
-
- Quiz
-
- Quiz
-
- Quiz
-
- Quiz
-
-
Functionaliteitenbeheer
-
- Quiz
-
- Quiz
-
- Quiz
-
- Quiz
-
-
Verbindende processen
-
- Quiz
-
- Quiz
-
- Quiz
-
-
Sturende processen
-
- Quiz
-
- Quiz
-
- Quiz
-
-
Richtinggevende processen
-
- Quiz
-
- Quiz
-
- Quiz
-
-
Toepassing, valkuilen en examenvoorbereiding
-
- Quiz
-
- Quiz
-
De drie niveaus van het BiSL-procesmodel
Na deze les kun je…
- de drie niveaus van het BiSL-procesmodel benoemen en hun onderlinge relatie uitleggen
- de drie uitvoerende procesclusters op operationeel niveau opsommen
- aangeven op welke termijn sturende en richtinggevende processen werken
BiSL is opgebouwd als een gelaagd model. Onderaan staat het operationele niveau, waar het dagelijkse werk gebeurt; daarboven het sturende (tactische) niveau, en daarboven het richtinggevende (strategische) niveau. Elke laag stuurt de laag eronder aan en krijgt op zijn beurt kaders mee van de laag erboven.
| Niveau | Termijn | Karakter | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| Operationeel (uitvoerend) | Dagelijks | Uitvoeren | Een incident afhandelen |
| Sturend (tactisch) | ~1 jaar | Bewaken en bijsturen | Jaarplan en budget opstellen |
| Richtinggevend (strategisch) | 3–5 jaar | Koers bepalen | Informatiestrategie vaststellen |
Op operationeel niveau kent BiSL drie uitvoerende procesclusters: Gebruiksbeheer (dagelijks gebruik), Functionaliteitenbeheer (verbetering en wijziging) en de Verbindende processen die deze twee clusters met elkaar en met de IT-leverancier verbinden. Daarboven liggen de sturende en richtinggevende processen — die voeren zelf niets uit, maar stellen kaders, normen en koers vast.
Een veelgemaakte examenfout is het door elkaar halen van "sturend" en "richtinggevend". Het onderscheid is scherp: sturende processen bewaken en sturen bij op basis van wat er al loopt (bijvoorbeeld: hoe presteert Gebruikersondersteuning ten opzichte van de norm?), terwijl richtinggevende processen de lange-termijnkoers bepalen (bijvoorbeeld: welke kant moet de informatievoorziening de komende jaren op?).
- Gebruiksbeheer: gebruikersondersteuning, beheer bedrijfsinformatie, gebruikerscommunicatie, operationele IT-aansturing, operationele ketenafstemming.
- Functionaliteitenbeheer: behoeftemanagement, specificeren, toetsen & testen, transitie, vormgeven niet-geautomatiseerde IV.
- Verbindende processen: wijzigingenbeheer, leveranciersmanagement, relatiemanagement gebruikersorganisatie.
- Sturend: planning & control, kwaliteitsmanagement, securitymanagement, beschikbaarheid & capaciteitsbeheer, info-portfoliomanagement.
- Richtinggevend: opstellen informatiestrategie, IV-organisatiestrategie, informatie-coördinatie.
Samen zijn dat 21 processen, verdeeld over 5 procesclusters en 3 niveaus — de kernstructuur die je door de rest van deze cursus heen blijft tegenkomen. In de komende hoofdstukken werken we elk cluster in detail uit.
De lagenstructuur werkt in twee richtingen. Van boven naar beneden geven de richtinggevende en sturende processen kaders mee: een informatiestrategie bepaalt de koers, een jaarplan vertaalt die koers naar concrete doelen en budget, en pas dan gaan de operationele processen aan de slag binnen die kaders. Van beneden naar boven stroomt informatie terug: knelpunten uit Gebruikersondersteuning voeden het jaarplan, en een opeenstapeling van tactische signalen kan aanleiding zijn om de strategie bij te stellen. Zonder deze wisselwerking wordt het sturende niveau een los vinkje op papier en verliezen de operationele processen hun richting.
Let op: niet elke organisatie vult alle drie de lagen even zwaar in. Kleinere organisaties combineren sturende en richtinggevende taken vaak in één rol (bijvoorbeeld een informatiemanager die zowel het jaarplan opstelt als de lange-termijnstrategie bewaakt), terwijl grote organisaties met meerdere divisies alle drie de lagen expliciet inrichten, inclusief het proces informatie-coördinatie om meerdere divisiestrategieën op elkaar af te stemmen.
Praktijkopdracht
Teken (op papier of digitaal) drie horizontale banen: richtinggevend, sturend en operationeel. Plaats in de onderste baan de drie uitvoerende procesclusters naast elkaar. Schrijf bij elke laag één zin die het verschil in termijn en karakter samenvat. Bewaar deze schets — je gaat hem in latere lessen steeds verder invullen met de losse processen.
De drie niveaus van het BiSL-procesmodel, de vijf procesclusters en op welke termijn elk niveau werkt.
Er zijn momenteel geen reacties.